Het Huis aan de Spanjaardstraat (5) - De Monnik en de Non

Posted Dec 27, 2008 by bernauw / comments 0 comments / Print / Font Size Decrease font size Increase font size

Dit is aflevering 5 van het waar gebeurde, zij het nogal griezelige vervolgverhaal, dat zich afspeelt in Brugge.

Het verhaal start hier .

5. De Monnik en de Non

De heer Eglinton koos een kamer in het huis die een goed uitzicht had op de binnenplaats, omdat de geesten van de monnik en de non zich daar bij voorkeur leken te vertonen. Toen begon het lange wachten..

Aan zijn rechterkant kon hij door het raam de Augustijnenrei zien, waarachter zich armoedige huisjes met moestuintjes bevonden. Het water van de rei lag er zwart en roerloos bij. Er bevond zich niemand op de kleine aanlegsteiger. Op straat leurde een vrouw met schelpdieren. Twee mestrapers betwistten elkaars territorium als grommende honden.

Was alle moeite dan voor niets geweest? De ellendige rit van Londen naar Dover, de lange en oncomfortabele bootreis naar Brugge, het in- en uitladen van zijn bagage waarbij hij een beroep moest doen op brutaal personeel... en dan deze Noodt Godts : veelbelovend, maar verwaarloosd. Het huis had een slechte naam, maar daar leek het ook bij te blijven.

De heer Eglinton daalde de trappen af naar het salon van Den Noodt Godts . Lang geleden was dit huis een vrouwenklooster geweest, en volgens de overlevering was het mogelijk om via een onderaardse gang het Augustijnerklooster te bereiken, aan de overkant van het water. De voormalige kapel was nu ingericht als salon en het hele gezelschap zat er thee te drinken.

De heer Eglinton installeerde zich met een kop thee op de sofa. Het gesprek verliep voornamelijk in het Frans - een taal die hij niet machtig was - en hij verzonk algauw in sombere overpeinzingen.

Toen sprong hij plotseling hevig rillend op. ‘Breng mij naar de kamer hierboven!’ Zijn handen bewogen nerveus; hij kon met moeite rechtop blijven staan.

Op de trap verstijfde de heer Eglinton - en zo wankelde hij ook de kamer binnen: stijf als een plank. Hij zette voorzichtig een paar stijve stappen, uitte een onverstaanbare kreet, liep naar links, naar rechts. Opnieuw een kreet en toen... Toen begon de heer Eglinton opeens te worstelen met een onzichtbaar iemand.

Het hele gezelschap liep de gang op, bevangen door een panische angst. Alleen Florence Marryat en ik bleven achter bij de heer Eglinton.

‘Hortense o Florence!’ gilde de heer Eglinton. ‘Blijf bij mij! Blijf bij mij!’

De deur vloog met een harde klap dicht. De zware gordijnen waren gesloten en lieten nauwelijks licht binnen, maar toch konden Florence en ik het heel duidelijk zien...

Het gezicht van de heer Eglinton... Het vertrok in een grimas van haat en kwaadaardigheid. Hij gromde en knarste met zijn tanden terwijl hij vocht met een schim... niet van de non, maar van de monnik. De schim droeg een pij, de kap was achterover geslagen, het hoofd was kaal geschoren en de ogen in dat angstwekkend magere gezicht... De ógen, maatje...

En de verschijning... spràk!

‘Ik leef... als een beest leeft dat bijna de nek is doorgebeten en voor dood werd achtergelaten, maar toch nog leeft...’ zei de verschijning. ‘Zo leef ik...’

We vermeden het in elkaars ogen te kijken terwijl we ons opnieuw verzamelden in het salon. Lady Unlacke zette verse thee. Het eerste kwartier zweeg iedereen. Toen haalde lord Unlacke een fles Ierse whiskey boven en kwam er een aarzelend gesprek op gang waaraan iedereen deelnam.

Iedereen, behalve de heer Eglinton. Hij greep een olielamp en stapte een aangrenzende kamer binnen. Op veilige afstand volgde het gezelschap hem. In de kamer namen we een blauwachtig schijnsel waar en opnieuw verscheen de monnik. Deze keer liep niemand weg.

‘Wie bent u? Kunt u me horen?’ vroeg de heer Eglinton.

Zijn stem leek overal en nergens vandaan te komen en ze klonk alsof hij in een glas of in een beker sprak. En de stem van de monnik... Zij leek uit de muren te komen, uit de middeleeuwse muren van het eeuwenoude huis aan de Spanjaardstraat...

Veertienhonderd achtennegentig... Aan beide kanten van de Augustijnenrei ligt een klooster - aan de ene kant een mannenklooster, aan de andere kant een vrouwenklooster. De broeders bezoeken de zusters om missen op te dragen en hun biecht te horen. Haast niemand weet dat beide kloosters verbonden zijn door een onderaardse gang die onder de Augustijnenrei doorloopt...

Maar deze ene Italiaanse monnik weet het. En deze ene mooie jonge non weet het. En in het geheim sluipt de monnik door de gang en bezoekt hij zijn geliefde...

‘Kom met mij mee,’ fluistert hij haar in het oor. ‘Verlaat het klooster en volg mij...’

Het nonnetje voelt wel iets voor haar Italiaanse aanbidder, maar ze voelt meer voor haar hemelse bruidegom. Haar weigeringen om op zijn voorstellen in te gaan, haar dreigementen ten slotte dat zij haar overste zal inlichten... Ze maken de Italiaanse monnik gek van woede.

Op een avond legt hij zich bij de kapel in een hinderlaag. Wanneer zij de kapel verlaat, springt hij te voorschijn en vraagt haar met aandrang, voor de allerlaatste maal: ‘Loop samen met mij weg uit het klooster! Kom en volg mij naar Italië!’

Het nonnetje probeert nog haar klooster binnen te vluchten, maar hij haalt haar in en brengt haar met verscheidene steken van een versgeslepen slagersmes om het leven. En hij sleept haar levenloze lichaam naar de onderaardse gang en graaft een ondiepe put waarin hij het lijk van zijn geliefde verbergt. En hij verwijdert haar bloedsporen en keert terug naar zijn cel.

Toen de geest van de monnik alles had opgebiecht wat hij op te biechten had, viel er een stilte. Daarna vroeg hij veel voor hem te bidden. Hij snikte, verborg zijn gezicht in zijn handen en loste op in het niets.

‘Gelieve mij even te excuseren,’ zei de heer Eglinton. ‘De bekentenis van de Augustijnermonnik heeft mij uitgeput. Ik ga naar bed.’

Lord en lady Unlacke, Florence Marryat en haar verloofde... zij brachten de nacht wakend door. Wakend en zwijgend.

Bij het eerste ochtendkrieken serveerden de bedienden met verwonderde blikken een vroeg ontbijt. Zij hadden hun kamers niet verlaten en wisten niets af van het hele gebeuren.

De heer Eglinton ontbeet samen met zijn gastheer en gastvrouw, met de schrijfster Florence Marryat en haar verloofde. Hij sprak geen woord. Vervolgens maakte hij een lange wandeling. Er gebeurde die dag niets belangwekkends meer.

Tot 's avonds.

De heer Eglinton kreeg zware stuiptrekkingen en leek in een coma te vallen. Opeens doofden alle kaarsen in Den Noodt Godts. En toen zag ik het ook, maatje... Op het voorhoofd van de heer Eglinton gloeide een kruis, vlak tussen de wenkbrauwen. Het verlichtte de kamer zelfs een beetje. We namen een flauwe luchtverplaatsing waar en...

‘Hortense Dupont,’ zuchtte de heer Eglinton met een zachte, diepe, vrouwelijke stem. ‘Bid voor mij. Ik werd vermoord door een Italiaanse monnik. Bid voor hem. Zijn naam zal ik nooit noemen... Hij was éénendertig, ik was drieëntwintig. Hij had mij lief en ik had hem lief en... Bid voor ons.’

Ik zag Hortense Dupont ook even verschijnen. Ze was helemaal in het wit gekleed. In haar handen hield ze een kruis dat ze op haar borst drukte. Haar blik had ze naar de grond gericht. Ze leek te wenen.

Lady Unlacke verzocht de bedienden een lichte maaltijd te serveren, wat niet eenvoudig was op dit uur van de avond. Daarna bad iedereen tot de ochtend in de lucht kwam. Nog dezelfde dag reisden de heer Eglinton, Florence Marryat en haar verloofde terug naar Londen.

En ik... Ik wuifde hen uit, maatje. Ik wuifde hen uit.

Rate this Article:

Rating: 1.0/5 (1 votes cast)


* You must be logged in order to leave comments, please login or join us.

Comments

No comments yet.


This work is licensed under
Republish Article Report Content  



Bookmark and Share
Sign up for our email newsletter
Name:
Email: